Menu icoontje menu

Interventies gekoppeld aan de zorgindicaties

Zorgindicaties

Wat meet de 4 S-en test?
De 4 S-en test meet de deelnamebekwaamheid van kinderen in beweeg- en spelsituaties. Denk aan de lessen bewegingsonderwijs/LO, buiten spelen en deelnemen aan sportverenigingen.

Er worden 4 vaardigheidslijnen van de grote motoriek in beeld gebracht, allen beginnend met de letter S. 

  1. Stilstaan                          (meest) Statisch evenwicht
  2. Springen – Kracht          (meest) Dynamisch evenwicht
  3. Springen – Coördinatie  Coördinatie tussen armen en benen
  4. Stuiten                             Oog- lichaam coördinatie

  • Deze vaardigheidslijnen bestaan uit 11 verschillende vaardigheden die oplopen in moeilijkheid. 
  • Binnen elk levensjaar van 2 tot 12 jaar is een vaardigheid geformuleerd.
  • Deze vaardigheden refereren aan een norm waarbij 80% van de kinderen in Nederland deze vaardigheid beheerst. 

Zorgindicaties
Een logisch vervolg op het meten van de motorische vaardigheid – in dit geval met de 4 S-en – is het signaleren van kwetsbare kinderen op het gebied van (mee)bewegen en (mee)spelen. Na invoering van de 4ST gegevens van kinderen, rolt er een overzicht uit waarop de 'zorgindicatie' wordt aangegeven.  De mate van kwetsbaarheid wordt in het systeem weergegeven met een zorgindicatie

Berekening van de zorgindicaties

Binnen elke vaardigheidslijn wordt een score behaald.
Deze score bestaat uit een aantal maanden voorsprong of achterstand. Bijvoorbeeld een kind van 6 jaar en 6 maanden behaalt bij Stuiten een hoogste score van 7 jaar. Deze score wordt berekend met een voorsprong van 6 maanden.

Tabel 1 berekening
In de tabel wordt weging van de verschillende vaardigheden weergegeven.
De optelsom van de verschillende scores en factoren levert een zorgindicatie op. De zorgindicatie wordt berekend op basis van de som van 6 – 8 verschillende scores. Deze 6 – 8 scores komen voort uit de 4 S-en test.

Niet alle onderdelen tellen even zwaar mee.
Er wordt een vermenigvuldiging toegepast op basis van de last die een gemiddeld kind zal ervaren in spel- en beweegsituaties in Nederland.
Zo telt bijvoorbeeld de score voor het onderdeel Springen-Kracht dubbel. Deze vaardigheid is het meest dominant in onze bewegingscultuur.
Kinderen met een hoge score bij Springen –Kracht hebben i.h.a. weinig moeite met activiteiten waar snelheid en wendbaarheid van belang zijn. Rond de 80% van het aanbod in Nederland is gerelateerd aan snelheid en wendbaarheid.

Tevens wordt er waarde gehecht aan de symmetrie tussen de afzonderlijke vaardigheid van beide benen. Een asymmetrie tussen de benen- van 2 jaar of meer - wordt met een negatieve score beoordeeld.
Bij 1 of 2 negatieve scores en een verschil van 1 of 2 jaar de helft van het verschil meegewogen.
Bijvoorbeeld: een kind van 8.0 jaar met een score van 6 jaar voor het linkerbeen en 8 jaar voor het rechterbeen heeft 1 negatieve score (links -2) en een verschil gelijk aan 1 of 2 jaar. De helft van het verschil wordt bij de score opgeteld (-1). 

Interventies

Deze berekening levert uiteindelijk een totaalscore van het (opgetelde) aantal maanden achterstand (of voorsprong) op.
Het aantal maanden achterstand geeft een richting aan zorgindicaties op een schaal van 1 t/m 4.

Tabel 2 berekening
De afkapwaarden voor de zorgindicaties worden weergegeven in de tabel. 
De berekeningen voor de 4 S-en vaardigheden en voortvloeiende zorgindicaties zijn in augustus 2016 aangescherpt om een nog nauwkeuriger beeld te kunnen vormen over de motorische ontwikkeling van het kind en de groep. In deze berekening worden beiden benen en de achterstand in maanden meegewogen, waar dit voorheen gebeurde op basis van het meest vaardige been en achterstand in jaren. In onderstaande tabel wordt weergegeven hoe de zorgindicaties van 2016-versie en de 2007-versie zich verhouden.

Interventies

Er worden 4 zorgindicaties onderscheiden
Van lichte zorg (1) tot zware zorg (4).
Een zorgindicatie is ‘slechts’ een aanwijzing in het uiteindelijk toekennen van zorg. Bij het toekennen van zorg vormt de 4 S-en test (eventueel aangevuld met de 4 Angsten test) slechts een indicatie. De vraag of het kind gebaat is bij extra zorg.

Breng daarom de lastvraag in kaart met o.a. onderstaande vragen:

  • Is hoeverre is ontwikkeling in gevaar? 
  • Hoeveel beweegt het kind (ondanks achterstand)?
  • Is het kind gemotiveerd om te bewegen en spelen?
  • Hoe inspirerend is de thuissituatie?
 Deze vragen worden beantwoord op basis van meer metingen en/of gesprekken. Denk aan:- observaties op het schoolplein- observaties in de lessen bewegingsonderwijs- gesprek met kind /ouder (anamnese)/leerkracht/IB/Zorgteam- dossier- andere deskundigen 
Het komende jaar worden binnen Stimuliz interventies gekoppeld aan de zorgindicaties.  Op die manier krijgt een leerkracht meteen een idee hoe hij/zij het kind verder kan helpen in zijn ontwikkeling.

Tabel extra zorg
In de tabel hiernaast wordt aangegeven waar extra zorg kan plaatsvinden: op schoolplein en in de les bewegingsonderwijs, bij MRT of d.m.v. andere specialisten (verwijzing).

Inschrijven voor de nieuwsbrief

Copyright 2021 Alles in Beweging